Hoofdstuk 12


Vers 1

Waarom Sichem?

Sichem is de oude hoofdstad van Efraïm.

De 10 stammen willen Rehabeam huldigen als hij op de eisen wil ingaan.


Huwelijk.

Zie 2 Kronieken 11:18-21.



Vers 2

Dit hoorde..

Hij hoorde dat Salomo gestorven was.



Vers 4

Ons juk hard gemaakt.

Ze klagen helaas niet over de afgoderij. Ze willen alleen het tijdelijke leven beter hebben.



Vers 6

Overleg.

Hij vraagt wel raad aan mensen, maar we lezen helaas niet dat Rehabeam God om raad vraagt.



Vers 8

De jonge mannen.

Rehabeam was zelf 40 jaar. Deze raadgevers waren van dezelfde leeftijd.



Vers 11

Schorpioen.

De steek van een schorpioen is een heel pijnlijke verwonding.



Vers 15

Een ommekeer van de HEERE.

God bestuurde het zo.

God had de scheuring van het rijk laten voorzeggen door de profeet Ahia die Jerobeam 10 stammen toedeelde.

Dit weet Rehabeam (later) ook als de profeet Semaja hem dat zegt.



Vers 16



Vers 18

Adoram.

Deze persoon is waarschijnlijk dezelfde als Adoniram die de zware herediensten organiseerde.



Vers 19

Afvallig.

Hosea 8:4.



Vers 20

Jerobeam wordt koning.

Jerobeam was uit de stam van Efraïm.

Zo werd de stam van Efraïm opnieuw een leidende stam. Dat waren ze al sinds Jozua, die ook een Efraïmiet was.

Het veranderde bij koning Saul. Hij was uit Benjamin.

Bij David werd Juda de leidende stam.


Alléén de stam Juda.

Er waren 2 stammen die Rehabeam trouw bleven.

Het rijk Juda heet ook het 2- stammenrijk.


Misschien hoorde Simeon er ook bij, want dat gebied lag helemaal binnen Juda's gebied.



Vers 23

Rest van het volk.

Misschien waren er ook uit de andere stammen die Rehabeam nog trouw bleven.

Misschien ook uit Simeon, wiens stamgebied helemaal in Juda 's stamgebied lag.



Vers 26

Ongegronde vrees.

God had Jerobeam een bestendig koninkrijk beloofd, mits...



Vers 28

2 gouden kalveren.

Jerobeam zondigde tegen het 2e gebod.

De HEERE is niet af te beelden en wil niet via afbeeldingen gediend worden.


Waar bleef één van de kalveren?



Vers 29

Bethel en Dan.

Bethel in het zuiden van het rijk en Dan in het noorden.



Vers 31

Niet-Levitische priesters.

Jerobeam I verstoot de echte Levieten.

Ze trekken weg naar Juda.



Vers 32

Een feest.

Dit feest van Jerobeam was precies één maand na het Loofhuttenfeest.



Vers 33

Hij stelde een feest in.

De 7 feesten in Israël waren geen Joodse feesten, maar feesten van God, gevierd op Gods vastgestelde tijden.

Ze staan in

Nú gaat een méns een feest instellen, gevierd op een eigen tijd.

Zelfbedachte godsdienst.


Reukoffers.

God heeft er een gruwel van.

Later lezen we steeds over de "zonde, waarmee Jerobeam Israël liet zondigen".



<