Hoofdstuk 22


Vers 1

Psalm 18.

Psalm 18 heeft vrijwel dezelfde tekst.



Vers 4

David bidt en hij ontvangt.



Vers 5

Verderf.

Letterlijk: belial.

Het gaat om demonische machten.



Vers 6

Banden van het graf.

Letterlijk: sheool.

Sheool = dodenrijk.



Vers 8

Fundamenten vd hemel.

In Psalm 18:8 staat: fundamenten van de bergen.

Het gaat hier over een aardbeving. Dat gebeurde toen God hem kwam verlossen.



Vers 9

Rook en vuur.



Vers 10

Donkere wolk.



Vers 11

Op een cherubs.



Vers 13



Vers 14

De donder.

De donder is een beeld van het spreken van God.



Vers 15

Gods hulp.

God helpt David met groot natuurgeweld.

David refereert zelfs aan de doortocht door de Schelfzee.



Vers 21

Gerechtigheid van David.

David vertoont daarin het beeld van God.

Reinheid van mijn handen.

Dit lied zal wel gemaakt zijn vóór het overspel met Bathseba.

Maar... als God de zonden vergeeft, dan zijn de zonden weg. Dan is de zondaar rein voor God.



Vers 24

Oprecht voor Hem.

Dat is de vrees des HEEREN.

Daarom is David ook "de man naar Gods hart".

David wil Gods wil doen.

David is een bidder.

David is een Godlover.

David is een aanbidder.

David belijdt schuld en gaat opnieuw met God verder.



Vers 27



Vers 29

Gods lamp of Davids lamp.



Vers 30

Met Gods hulp.

In zichzelf geringe kracht, hoewel David een held was, maar met Gods hulp onoverwinnelijk.

Vgl. Strijd tegen Goliath.



Vers 31



Vers 34

Voeten als hinden.

Een hinde, een vrl. hert, kan snel rennen.

Zo maakt God David snel tegenover zijn vijanden.


Op mijn hoogten.

Op de hoge positie als koning.



Vers 50

Paulus haalt deze tekst aan in

om te bewijzen dat de zaligheid ook voor de heidenen is.



Vers 51



<