Hoofdstuk 49


Vers 1

In later tijd.

Letterlijk:

Dit is de eerste keer dat deze uitdrukking in de bijbel gebruikt wordt.

Het gaat over de laatste dagen. Dus de tijd na de geboorte van Jezus.

Zoals de week verdeeld is, in 6 dagen + sabbat, zo is de wereldgeschiedenis verdeeld in 6 millennia + vrederijk, ook 1000 jaar.

Eindtijd.

Het einde van die laatste dagen, dus de tijd vlak voor

de zevende dag, het vrederijk, heet eindtijd.



Vers 3

De eerstgeborene. 

De eerstgeboortezegen gaat naar Jozef.

Rubens zegen wordt verdeeld onder Jozef, Juda, Levi.



Vers 5

Simeon en Levi.

Zij hebben de stad Sichem uitgemoord.



Vers 7

Verstrooien.

Simeons gebied ligt straks helemaal ingesloten in Juda.

Levi wordt verstrooid over het land in 48 priestersteden.



Vers 8

Juda.

Neerbuigen.

Juda wordt de koningsstam.

Daaruit komt het geslacht van David.

Daaruit komt de Messias, de Koning van de Joden.



Vers 9

Leeuwenwelp.

Juda is nog niet op volle kracht, maar zal een sterke leeuw worden.

Ook Jezus heet de Leeuw uit de stam van Juda.



Vers 10

Silo.

Ook Ezechiël wijst deze Silo aan.

Hij, Jezus, zal de volgende Koning zijn ná Zedekia. Hem komt de troon van David toe.

Hem komt het toe om de boekrol met 7 zegels te openen.

In het Aramees staat er "Messias" ipv Silo.


Rustaanbrenger.

De kanttekening SV: het is ook het vlies waarin een kind geboren wordt. Daarom kan het Hebreeuwse woord ook vertaald worden door:

De volken (niet enkelingen) zullen hem in het vrederijk gehoorzaam zijn.

In 11 n C werd aan het sanhedrin het recht ontnomen om een doodvonnis uit te spreken. Het sanhedrin zag dit als de vervulling van deze tekst. Toen week, volgens hen, de scepter van Juda, maar... Silo, de Messias, was toen, volgens hen, nog niet geboren.

Silo = Messias = Jezus.

Maar... Jezus was in 11 n C. reeds geboren. Deze tekst was zeker vervuld.

Alle volken zullen Hem onderworpen zijn.


Van tussen zijn voeten.

Dus uit het zaad / sperma van Juda.

De scepter zal dus niet wijken van de nakomelingen van Juda.

De Messias is eeuwig Koning.

Volken.

Dus heidenvolken, zullen Hem gehoorzaam zijn.


De letter Daleth.

In de naam Jehuda zit de naam JHWH. De middelste letter van Jehuda is daleth, dat is de 4e letter. Juda was ook de 4e zoon. Daleth = deur. De stam Juda lag ook vóór de ingang, de deur, vd tabernakel.

Jezus is De Deur uit de vierde stam.



Vers 11

Ezel aan wijnstok.

Beeld van grote weelde. Wijnstokken waren heel kostbaar en zijn niet echt stevig.



Vers 13

Zebulon.

6e Zoon van Lea, dus 8e zoon van Jakob . Het gaat dus niet precies op volgorde.


Zebulon zal aan de kust wonen en welvaart hebben.

Nazareth ligt in het gebied van Zebulon.



Vers 14

Issaschar.

5e Zoon van Lea.

Geboren na de dudaïm die Ruben vond.

Issaschar is ijverig. Hij werkt liever (en betaalt belasting) dan dat hij oorlog voert.



Vers 16

Dan.

Zoon van Bilha, Rachels dienstmeisje.

Dan = richten.

Simson was uit de stam van Dan.



Vers 17

Slang.

Valse vroomheid begint in Richteren 18. De Leviet van ene Micha wordt priester van de stam van Dan. Hij neemt de afgod van Micha mee naar de plaats Dan.

In de plaats Dan kwam later ook een gouden kalf in de tijd van koning Jerobeam I.

In Openbaring 7 wordt de stam van Dan gemist onder de 144.000 Joodse verzegelden.

Ook Efraïm wordt daar NIET genoemd. Mogelijk ook om de afgoderij die Jerobeam I invoerde met de gouden kalveren. Jerobeam I was uit de stam van Efraïm.



Vers 18

Op uw zaligheid.

Letterlijk:

Psalm 73:24.


Simeon zág de Zaligheid.

Simeon zág de Zaligheid toen Jezus in de tempel werd gebracht. Hij hield "de Zaligheid" in zijn armen.

Profeten die meer willen weten.

De profeten zagen wel iets van deze zaligheid, maar ze wilden ook graag de tijd weten wanneer die zaligheid zou komen.



Vers 19

Gad.

Zoon van Zilpa (dienstmeisje van Lea).


Strijdbaar:

De richter Jeftha was uit de stam van Gad.

De stam van Gad woont later in het Overjordaanse.



Vers 20

Aser.

Zoon van Zilpa, slavin van Lea.

Aser = geluk, welstand.

Aser krijgt later een vruchtbaar gebied en welvarende zeehavens.



Vers 21

Naftali.

De vijfde zoon van Lea, de zevende zoon van Jakob.


Debora en Barak waren uit de stam van Naftali.

1 Koningen 7:13 Hiram.



Vers 22

Elk van de takken...

Jozef krijgt de eerstgeboortezegen. Hij krijgt 2 delen. De "takken" zijn Manasse en Efraïm.



Vers 24

Een herder.

Hier staat in de HSV herder met een hoofdletter. Dat is niet juist.

Door Gods kracht is Jozef een herder, een hoeksteen voor Israël.



Vers 26

De zegeningen van je vader.

De zegen van Jakob is veel hoger dan die van Abraham en Izak. Jakob vergelijkt het met een bergtop die hoger is dan de omgeving.



Vers 27

Wolf.

Wreed, meedogenloos, vasthoudend.

2x verslaat Benjamin de andere 11 stammen.

Het is een zeer strijdbare stam.

Veel linkshandige mensen. Ze slingerden op een haar.

Ehud, koning Saul, prins Jonathan, Mordechai, Paulus hoorden bij de stam Benjamin.



Vers 29

Met mijn volk verenigd.

Jakob komt bij zijn overleden voorgeslacht in het dodenrijk, de sheool.

Volgens vers 33 gebeurt dit direct na zijn overlijden en niet pas bij de begrafenis.

Het begraven gebeurde meer dan 70 dagen later.



Vers 33

Verenigd met voorgeslacht.

Verenigd worden met de overledenen uit het voorgeslacht gebeurt direct na het overlijden.

Het begraven van Jakob gebeurde meer dan 70 dagen later pas.

Zie Genesis 37:35. Daar zegt Jakob iets dergelijks. Hij zal Jozef ontmoeten, maar niet in het graf, want Jozef was, zo dacht Jakob, door een wild dier opgegeten.



<