Hoofdstuk 2


Vers 1

En heel hun legermacht.

De volgorde in de schepping is: hemel, engelen, aarde, licht...



Vers 2

7e dag.

De sabbat, de zevende dag, is er al vanaf de schepping. God zondert deze dag af van de andere dagen. Hij heiligde de sabbat.

God verbindt deze dag later aan de verbondssluiting met Joden.

Heidenen hoeven daarom de sabbat niet te vieren. We mogen wel op zondag samenkomen, maar we mogen niet leren dat de zondag de sabbat verving.



Vers 3

God zegende de sabbat.

Heiligde.

Heiligen is positief.

Afzondering, volledige toewijding aan God.

Heiliging is dus al van vóór de zondeval.


Bij deze dag wordt géén avond en géén morgen genoemd. Zo gaat het Duizendjarig Vrederijk ook over in de eeuwigheid, waar vrede en gerechtigheid niet langer hoeven te regéren, maar daar zullen wónen

De echte rust wacht ons nog.

Positief.



Vers 5

Nog geen veldstruik.

Het gaat hier over de tijd vóór de derde dag.



Vers 7

Toen vormde de HEERE.

Vormde: in Jesaja 29:16 staat hetzelfde grondwoord. Daar betreft het een pottenbakker.


"Uit" ontbreekt.

"Uit" staat niet in grondtekst.

De mens kríjgt geen ziel, maar wórdt een levende ziel, een levende persoon.


Leven.

Wat leven is, is moeilijk te zeggen.

Voor aardse schepselen geldt: Een aards schepsel leeft als het ook dood kan gaan.

Leven is een wonder van complexiteit.



Vers 8

Oosten.

Hebreeuws voor "oosten" is ook een tijdsaanduiding. De Armeense targoem vertaalt: God maakte een hof in het verleden en plaatste daar de mens.

Dus "oosten" wijst niet op Mesopotamië.

De hof van Eden lag bij Jeruzalem.

Gods heilige berg (=Sion) lag in die hof.

Paradijs.

De Septuaginta schrijft "paradijs" i.p.v. Hof van Eden.

Dat woord komt van het Hebreeuwse "pardes" = hof.

Hoe groot is Eden?

Volgens Ezechiel 31:3 en Ezechiel 31:8-9 hoorde Assyrië tot Eden. Volgens Ezechiel 31:18 hoorde Egypte ook bij Eden.

Eden is dus een groot deel van het Midden-Oosten.


Waar lag de hof van Eden?

In Eden ligt Gods hof.

In Gods hof was een gezalfde cherub, de latere Satan.

Hij woonde op Gods heilige berg (=Sion). Dat wijst naar Jeruzalem.

Dus Gods hof lag in of bij Jeruzalem. Eén van de rivieren van Gods hof heette Gihon.

Nog altijd ligt de Gihonbron in Jeruzalem. God verbande satan van Gods berg.

Nog altijd gaat de strijd om deze plaats.

Bij de bron van de Gihon is de "zoon van David" (Salomo) al tot koning gezalfd.

Salomo is een type van de Messias. De Messias, de grote Zoon van David, wordt daar waarschijnlijk ook tot koning gezalfd.

De boom des levens in de hof.

Hier, in Jeruzalem, heeft waarschijnlijk ook de boom des levens gestaan. Ook in Openbaring 22:2 wordt de boom in Jeruzalem gevonden.

In Ezechiel 47 komt er een tempelrivier. Langs deze rivier groeit geboomte. De vrucht is tot voedsel en het blad tot genezing. De boom des levens wordt geassocieerd met Jeruzalem. Waar ooit de zonde begon, gaat God ook de zonde overwinnen.



Vers 9

Bomen verschijnen.

Gaat het hier over dag 3 of liet God op dag 6 ook nog bomen ontstaan?


Boom van kennis van goed en kwaad.

Liefde gedijt alleen in vrijheid.

Liefde laat zich niet dwingen.

De mens kreeg een keus.

  1. Nemen we het leven zoals het tot ons komt uit Gods hand aan? Dat is leven mét God.
  2. Willen we de gang van het leven zelf bepalen? Dat is leven zónder God.



Vers 10

Eén rivier.

Één rivier die in vier rivieren splitst.

Er was één bron waaruit deze rivier ontsprong.

Er zijn veel aanwijzingen dat de hof van Eden bij Jeruzalem lag.

Daar ligt nog altijd de Gihonbron.



Vers 13

Cusj.

Ethiopië.



Vers 14

Tigris en Eufraat.

De huidige Tigris en Eufraat zijn zeker géén aanwijzing dat de hof van Eden in Mesopothamië lag. De huidige Eufraat en de Tigris hebben ieder een eigen bron, dichtbij Turkije. Dat is een heel andere situatie dan wordt beschreven in



Vers 15

Gods opdracht voor Adam.

De opdracht die Adam en Eva kregen was ruimer dan hier staat.



Vers 17

Zult u zeker sterven.

Adam heeft dit zeker goed begrepen.

Hij zag plantjes dood gaan, doordat dieren ze opaten. Hij begreep wat "sterven" was.



Vers 18

Hulp:

Dit woord staat ook voor God zelf.

Het is dus niet zoiets als slaaf.

Zie voor uitgebreider informatie bij Genesis 2:20.


Wie hulp krijgt, die is hulpbehoevend.

De man mist iets en de vrouw vult dat aan.


Ook de gemeente is zelfs een aanvulling van Jezus.

Tegenover hem.

Een dier kan de mens ook tot hulp zijn, maar is niet gelijkwaardig.



Vers 19

De HEERE vormde.

Critici zeggen dat deze tekst in strijd is met de volgorde in Genesis 1. Hier lijkt het alsof Adam eerder werd geschapen dan de dieren en de vogels.

Dat komt door de vertaling "vormde".

De vertaling kan ook zijn:

Dan is er geen tegenstrijdigheid.

Er zijn geen twee scheppingsverhalen. Het verhaal staat in Genesis 1. De details staan in Genesis 2.



Vers 20

Hulp.

Dit woord wordt 21x gebruikt in het OT.

16x slaat het op God. M.a.w. de vrouw is voor de man op aarde, wat de HEERE voor hem is uit de hemel.

Jezus kwam om te dienen en de gemeente dient Hem. Zo ook man en vrouw.

Hulp is dus geen slavin.

Die vrouw is Gods hulp aan Adam bij alles wat God voor hem te doen had. Eva is dus niet Adams hulpje, sloofje .


Tegenover hem.

Tegenover hem: ze mag hem recht in de ogen zien.

Ze is niet bóven of ónder de man, maar tegenover.

In zijn vrouw, zijn spiegelbeeld, moet de man Gods gelijkenis zien.



Vers 21

Uit een rib.

Had Adam maar 23 ribben over?

Het is interessant op te merken dat een rib die verwijderd is, weer aangroeit en zichzelf vervangt zolang het periost (het beenvlies of de bindweefsellaag die met de beenderen is vergroeid) intact is gebleven.


Door God gemaakt.

Zowel Adam als Eva zijn door God gemaakt.

Uit één bloede is het hele menselijke geslacht ontstaan.

Hoewel Eva is gemaakt uit een rib van Adam is haar DNA niet identiek met het DNA van Adam.

Mannen hebben de geslachtschromosomen X en Y. Vrouwen hebben XX.



Vers 22

Eén vlees.

Geschapen uit één vlees tot één vlees.

Man en vrouw zijn niet geschapen als twee-heid, maar als twee-eenheid.


De vrouw als laatste.

God maakte de schepping steeds mooier. Als laatste maakte Hij de vrouw. De vrouw staat in de Joodse traditie dan ook dichter bij God.

De man draagt daarom ook een keppeltje, omdat hij zich niet op een hoger niveau moet plaatsen.



Vers 23

Mannin.

Het kan ook vertaald worden met "vrouw".

Het Hebreeuwse "isha" = vrouw

Dit "isha" lijkt op "ish" = man.

In het volgende vers is "isha" met "vrouw" vertaald.

Vgl het engels: Man en woman.



Vers 24

Doel van het huwelijk.

Het huwelijk moet de eenheid van Jezus en de gemeente uitbeelden.

Jezus was altijd onderdanig aan Zijn Vader. Zo moeten we aan elkaar onderdanig zijn.

Daarom.

Het is een

De vrouw is uit de man. Ze waren één vlees en nu worden ze weer één vlees.


Hechten.

De bloedband wordt losgelaten voor de huwelijksband.

Het huwelijk is een verbondsrelatie.

God trouwt Israël tijdens het verbond bij Sinaï.

Eén vlees.

Dit is méér dan de lichamelijke eenwording. Het is één zijn naar lichaam, ziel en geest.

Geen seks vóór het huwelijk

De scheppingsorde geeft ons ook een duidelijke en veilige volgorde. Dit is de volgorde die God geeft!

  1. De ouders verlaten, dus officieel los van je ouders.
  2. Aan elkaar "gelijmd" worden. Dat is tegenwoordig de huwelijkssluiting.
  3. Daarna één vlees worden, dus seksuele gemeenschap.

Deze goddelijke volgorde lezen we ook in het leven van Jakob.

Deze goddelijke volgorde lezen we ook bij Jozef en Maria.

De Heere Jezus is het hier helemaal mee eens. Hij citeert deze tekst.

Ook in de Thora wordt dat duidelijk. Tot aan het huwelijk had men géén gemeenschap.



<